029. Bijbelstudie over de

FARIZEEËN - P’RUSHIM

,y>vrp

 

 

Deze bijbelstudie gaat over de Farizeeën. Ik ben mij er terdege van bewust dat sommigen onder u zich zullen afvragen welk nut het heeft om een hele bijbelstudie te wijden aan deze orthodoxe Joden die nogal de reputatie hebben dat zij de felste tegenstanders van Yeshua [Jezus] en de Zijnen zouden zijn geweest. De Farizeeën hebben tevens de naam dat zij letterknechten waren, die hun kennis gebruikten om zichzelf groot, maar de ongeletterden klein te maken, en op deze wijze de Tora verkrachtten. Yeshua zelf wees keer op keer precies aan waarin zij als geloofsleraren tekort schoten: “De schriftgeleerden en de Farizeeën hebben zich gezet op de stoel van Moshe [Mozes]. Alles dan, wat zij u ook zeggen, doet dat en onderhoudt dat, maar doet niet naar hun werken, want zij zeggen het wel, maar doen het niet. Zij binden zware lasten bijeen en leggen die op de schouders der mensen, maar zelf willen zij ze met hun vinger niet verroeren. Al hun werken doen zij om in het oog te lopen bij de mensen, want zij maken hun ]ylypt Tefilin [gebedsriemen] breed en hun tyjyj Tzitzit [kwasten] groot, zij houden van de eerste plaats bij de maaltijden en van de erezetels in de synagogen, en van de begroetingen op de markten en om door de mensen ybr Rabbi genoemd te worden. Gij zult u niet ybr Rabbi laten noemen; want één is uw Meester en gij zijt allen broeders. En gij zult op aarde niemand uw vader noemen, want één is uw Vader, Hij, die in de hemelen is. Laat u ook geen leidslieden noemen, want één is uw Leidsman, de hy>m Mashiach [Christus]. Maar wie de grootste onder u is, zal uw dienaar zijn. Al wie zichzelf zal verhogen, zal vernederd worden en al wie zichzelf zal vernederen, zal verhoogd worden. Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij sluit het Koninkrijk der hemelen toe voor de mensen. Immers, gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat gij niet toe daarin te komen. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij eet de huizen der weduwen op, terwijl gij voor de schijn lange gebeden uitspreekt. Daarom zult gij zwaarder oordeel ontvangen. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond, om een bekeerling te maken, en wanneer hij het wordt, maakt gij van hem een kind der hel, tweemaal zo erg als gij het zelf zijt. Wee u, blinde wegwijzers, die zegt: Heeft iemand bij de >dqm Miq’dash [tempel] gezworen, dat betekent niets; maar heeft iemand bij het goud van de >dqm Miq’dash [tempel] gezworen, dan is hij gebonden. Gij dwazen en blinden, wat toch is meer, het goud of de >dqm Miq’dash [tempel], die het goud geheiligd heeft? En heeft iemand bij het xbzm Miz’beach [altaar] gezworen, dat betekent niets; maar heeft iemand bij de gave, die daarop ligt, gezworen, dan is hij gebonden. Gij blinden, immers, wat is meer, de gave of het xbzm Miz’beach [altaar], dat de gave heiligt? Wie dus gezworen heeft bij het xbzm Miz’beach [altaar], zweert daarbij en bij alles, wat erop ligt. En wie gezworen heeft bij de >dqm Miq’dash [tempel], zweert daarbij en bij Hem, die erin woont. En wie gezworen heeft bij de hemel, zweert bij de troon G’ds en bij Hem, die daarop gezeten is. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de hrvt Tora [wet] verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw. Dit moest men doen en het andere niet nalaten. Gij blinde wegwijzers, die de mug uitzift, maar de kameel doorzwelgt. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid. Gij blinde Farizeeër, reinig eerst de inhoud van de beker; dan zal hij ook van buiten rein worden. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid. Zo ook gij, van buiten schijnt gij de mensen wel rechtvaardig, doch van binnen zijt gij vol huichelarij en verachting van de Tora. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij bouwt de grafsteden der profeten en verfraait de gedenktekenen der rechtvaardigen, en gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten. Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten. Maakt ook gij de maat uwer vaderen vol! Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?” (vhyttm Matityahu [Matthéüs] 23:1-33). Doordat Yeshua hen hier zeven keer huichelaars noemde, is het woord Farizeeër inmiddels een synoniem van huichelaar geworden en als wij het in de dikke Van Dale opzoeken, dan staat daar heel officieel: “Farizeeër: iemand die zich schuldig maakt aan zelfverheffing op zedelijk gebied, schijnheilige, huichelaar. – Farizees: vol met veel zedelijke zelfverheffing. – Farizeïsme: schijnheiligheid.” Ook in de kleine Larousse is het niet anders: “Farizees of Farizeïsch: onoprecht, huichelachtig, schijnheilig. – Farizeïsme: het huichelachtig optreden als een Farizeeër, schijnheiligheid.” Dus zelfs in de officiële naslagwerken wordt de Farizeeër als een onoprecht, schijnheilig en huichelachtig persoon bestempeld. Welke ware gelovige kan derhalve dan nog enige belangstelling of zelfs sympathie opbrengen voor een Farizeeër?

 

Vooroordeel

 

Zowel de seculiere naslagwerken alsook het Nieuwe Testament lijken dit vooroordeel dus te bevestigen, maar zo simpel is het niet, want het is inderdaad een vooroordeel, dat ten dele haar oorsprong vindt in antisemitische motieven (door het verdwijnen van de andere Joodse stromingen uit de tijd van de tweede tempelperiode vertegenwoordigen nu de overgebleven Farizeeën immers het gehele traditionele Jodendom) en ten dele in een bevooroordeelde en vaak onzorgvuldige uitleg van de Evangeliën. De meeste christelijke theologen scheren de Farizeeën al eeuwenlang over één kam, maar Yeshua deed dat niet! Hij veroordeelde hen niet allemaal, maar bekritiseerde alleen degenen die niet deden wat ze zeiden. En zelfs van hen die inderdaad hypocriet waren zei Hij nog, dat men weliswaar hun daden niet moest navolgen, maar wel moest doen wat zij zeiden, want wat zij verkondigden was gewoon goed omdat zij steeds wezen op het stipt nakomen van de Tora. Maar dat door de eeuwen heen alle Farizeeën collectief werden veroordeeld vanwege het feit dat sommigen onder hen daadwerkelijk huichelaars waren, dat is jammer en niet terecht! Is het u eigenlijk wel eens opgevallen dat er in veel verhalen over de diverse confrontaties tussen Yeshua en Zijn tegenstanders het woordje ‘de’ ontbreekt? Vaak lezen wij gewoon: “Er kwamen Farizeeën tot Hem…” (Mt 15:1, Mt 19:3, Mc 10:2) of “enige der Farizeeën…” (Mt 12:38, Mc 12:13, Lc 13:31, Lc 19:39) of “sommige van de Farizeeën” (Lc 6:2, Joh 1:24, Joh 9:16, 9:40). Een deel van de Farizeeën maakte Yeshua en Zijn Talmidim [discipelen] inderdaad het leven zuur, maar gelukkig niet allemaal. De meeste Farizeeën waren immers achtenswaardige mensen die G’d en Zijn Tora lief hadden en zij hadden volstrekt geen ruzie met Yeshua, want Hij stond echt niet zo heel ver van hen vandaan. Hun zogenaamde ‘twistgesprekken’ verschilden dan ook in geen enkel opzicht van de vele heftige theologische discussies tussen de Farizeese rabbijnen onderling zoals wij die in de Talmud tegen komen. Zij hadden geen ruzie met elkaar. Integendeel: het waren juist Farizeeën die naar Yeshua toe kwamen om Hem oprecht te waarschuwen, toen Hij op weg was naar Jeruzalem, zoals wij kunnen lezen: Terzelfder tijd kwamen enige Farizeeën en zeiden tot Hem: Ga heen en vertrek vanhier, want Herodes wil U doden” (Lc 13:31). Als alle Farizeeën Yeshua vijandig gezind waren hadden zij Hem echt niet gewaarschuwd. Regelmatig nodigden Farizeeën Hem ook uit voor een maaltijd, zoals wij bijvoorbeeld in Lucas 7:36 kunnen lezen: “Een der Farizeeën nodigde Hem om bij hem te komen eten; en Hij kwam in het huis van de Farizeeër en ging aanliggen.” Enkele hoofdstukken verderop, in Lucas 11:37 vinden wij een ander voorbeeld: “Terwijl Hij sprak, nodigde een Farizeeër Hem om bij hem te komen eten. En Hij kwam binnen en ging aanliggen.” Ook in Lucas 14:1 nodigde een Farizeeër Hem uit aan zijn tafel, en dan nog wel één van de leiders: “En het geschiedde, toen Hij op Shabat in het huis van één der hoofden van de Farizeeën kwam om brood te eten, dat zij nauwkeurig acht op Hem sloegen.” - Vaak staat men er ook niet bij stil dat de Farizeeën Yeshua ongehinderd in de tempel lieten prediken, zoals Hijzelf heeft gezegd: “Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen” (Mt. 26:55), “Dagelijks was Ik bij u, lerende in de tempel, maar gij hebt Mij niet gegrepen“ (Mc 14:48), en: “Terwijl Ik dagelijks bij u was in de tempel, hebt gij geen hand naar Mij uitgestoken” (Lc 22:53). Was het alleen maar omdat zij bang waren het volk tegen zich in het harnas te jagen als zij Yeshua zouden tegenhouden te prediken? Ik denk van niet, want zij waren bijzonder populair bij het volk en hun invloed was groot. Neen, de reden waarom zij het toelieten dat Yeshua het volk leerde was het feit dat zij Hem erkenden als rabbijn, want zij spraken Hem immers aan met Meester ofwel Rabbi en daarom trokken zij Zijn leergezag niet in twijfel evenals ook Yeshua het leergezag van de Farizeeën niet in twijfel trok, want Hij gebood iedereen: “Alles dan, wat zij u ook zeggen, doet dat en onderhoudt dat” (Mt 23:3). zij later ook Zijn Talmidim [leerlingen] niet beletten om in de Tempel te prediken en te onderwijzen. Dat deden de Sadduceeën wel zoals o.a. in Handelingen 4:1-4 nadrukkelijk wordt vermeldt: “En terwijl zij tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Yeshua de opstanding uit de doden verkondigden; en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond. Maar velen van hen, die het Woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend.” De ongekend vijandige houding van de Sadduceeën tegenover deze Messiasbelijdende Joden komt ook in Handelingen 5:17-18 duidelijk naar voren: “Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren (de zogenaamde partij van de Sadduceeën) en zij werden vervuld met naijver, en zij sloegen de handen aan de Sh’lichim [apostelen] en zetten hen in het huis van bewaring.” Over de Farizeeën wordt hier niet gesproken, want zoals gezegd lieten zij de Notz’rim ofwel de Nazoreeën, zoals Yeshua en de Zijnen werden genoemd, ongehinderd prediken, want ook zij geloofden in de opstanding uit de doden, de komst van de Mashiach, het koninkrijk der hemelen en de engelenwereld. De Sadduceeën daarentegen verwierpen de leer van een leven na de dood en zij geloofden niet in het laatste oordeel. Bovendien ontkenden zij het bestaan van engelen en stonden ook onverschillig tegenover de Messiasverwachting. Om deze redenen waren zij niet alleen bijzonder felle tegenstanders van de Nazoreeën, maar ook van de Farizeeën. Dat maakte de Farizeeën en de Joodse volgelingen van Yeshua tot natuurlijke bondgenoten tegenover de Sadduceeën, wat vooral bij diverse rechtszittingen in het Sanhedrin nadrukkelijk naar voren kwam. Ik kom daar later nog op terug. Afgezien van hun problemen met de Sadduceeën heeft de Messiasbelijdende Joodse gemeente van Jeruzalem volgens het boek Handelingen in de eerste decennia na de kruisiging en opstanding van Yeshua haMashiach betrekkelijk rustig kunnen bestaan en werd gewoon gezien als één van de diverse stromingen binnen het Jodendom. Dat kunnen wij bijvoorbeeld heel duidelijk in Handelingen 2:46-47 lezen: “En voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de Tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden G’d en stonden in de gunst bij het gehele volk.” De Messiasbelijdende Joden stonden dus in de gunst van het gehele Joodse volk, want Zij bleven trouw aan de Tora, aan het tempelbezoek, de Moadim [feesten] en natuurlijk aan de Shabat. Toen nog wel! Er was immers nog geen sprake van een Grieks georiënteerd christendom en de Messiasbelijdende gemeente zag zich zelf nog steeds als deel van Israël, door de Tora en de tempeldienst verbonden met het geheel van de Joodse geloofsgemeenschap. In hoofdstuk 6, vers 7 lezen wij zelfs dat een talrijke schare van Kohanim [priesters] gehoor gaf aan het geloof in Yeshua en zich bij de Messiasbelijdende gemeente aansloten. Nergens lezen wij dat zij daarna geen priesters meer zouden zijn geweest. De messiaanse beweging groeide in een razend tempo, want het begon allemaal met twaalf mannen (Mt 10:2) en al gauw was er sprake van 72 (Lc 10:11). Tijdens Shavuot (het wekenfeest) werden er nogmaals ongeveer 3000 zielen toegevoegd (Hnd 2:41) en twee hoofdstukken verder was alleen al het getal der mannen reeds ongeveer 5000, waarbij de vrouwen niet eens waren meegeteld!

 

Messiasbelijdende Farizeeërs

 

Deze 5000 Joodse mannen waren zeker niet allemaal seculier. Onder deze grote menigte bevonden zich ook talrijke Farizeeërs, waaronder ook een aantal vooraanstaande mannen. De eerste van hen was Naq’dimon, beter bekend als Nicodemus. Hij was lid van het Sanhedrin en had daar veel invloed. Ik zal straks iets meer over hem vertellen. Nicodemus was een van de Farizeeërs die het heil verwachten door te leven volgens de Tora. Zijn eerste persoonlijke kennismaking met Yeshua staat in ]nxvy Yochanan [Johannes] 3:1 beschreven: “En er was iemand uit de Farizeeën, wiens naam was Nicodemus, een overste der Joden; deze kwam des nachts tot Hem en zeide tot Hem: Rabbi, wij weten, dat Gij van G’d gekomen zijt als leraar; want niemand kan die tekenen doen, welke Gij doet, tenzij G’d met Hem is.” Vaak wordt erover heen gelezen, maar is het u opgevallen, dat hij zei: “Wij weten…” en niet: “Ik weet…”? Hij sprak dus namens een groep en dat geeft aan dat er zeker een groep intellectuele Farizeeërs in de directe omgeving van Nicodemus geweest moest zijn, die net als hij geloofden dat Yeshua van G’d gekomen is, anders zou hij niet in meervoud gesproken hebben. Later nam Nicodemus het voor Yeshua op temidden van de overige Farizeeërs: “En uit de schare kwamen velen tot geloof in Hem en zij zeiden: Zal de Mashiach, wanneer Hij komt, soms meer tekenen doen dan deze gedaan heeft? De Farizeeën hoorden de schare dit over Hem mompelen en de overpriesters en de Farizeeën zonden Sharatim [dienaars] om Hem te grijpen. - Sommigen dan uit de schare, die naar deze woorden geluisterd hadden, spraken: Deze is waarlijk de Profeet. Anderen zeiden: Deze is de Mashiach; weer anderen zeiden: De Mashiach komt toch niet uit Galilea? Zegt de Schrift niet, dat de Mashiach komt uit het geslacht van David en van het dorp Beit Lechem [Betlehem], waar David was? Er ontstond dan verdeeldheid bij de schare om Hem; en sommigen van hen wilden Hem grijpen, maar niemand sloeg de handen aan Hem. De Sharatim [dienaars] dan gingen naar de overpriesters en Farizeeën en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij Hem niet medegebracht? De dienaars nu antwoordden hun: Nooit heeft een mens zo gesproken, als deze mens spreekt! De Farizeeën dan antwoordden hun: Zijt gij soms ook verleid? Heeft soms een van de oversten in Hem geloofd, of van de Farizeeën? Maar die schare, die de Tora niet kent, vervloekt zijn zij! Naq’dimon [Nicodemus], die vroeger tot Hem was gekomen, één van hen, zeide tot hen: Veroordeelt onze Tora dan een mens, tenzij men zich eerst van hem op de hoogte gesteld heeft en kennis genomen van wat hij doet?” (]nxvy Yochanan [Johannes] 7:31-32 en 40-51). Tenslotte kwam Nicodemus zijn mede-raadslid Yosef Haramati [Jozef van Arimathea], die evenals hijzelf een Messiasbelijdende Farizeeër was, te hulp bij de graflegging van Yeshua: “En toen het reeds avond geworden was, kwam, omdat het Voorbereiding, dat is de vooravond van de Shabat, was, Yosef Haramati [Jozef van Arimathea], een aanzienlijk lid van de Raad, die ook zelf het Koninkrijk G’ds verwachtte; en hij waagde het naar Pilatus te gaan en het lichaam van Yeshua te vragen” (Marcus 15:42-43). “En daarna vroeg Yosef Haramati [Jozef van Arimathea], een Talmid [discipel] van Yeshua, maar in het verborgen uit vrees voor de Judeërs, aan Pilatus het lichaam van Yeshua te mogen wegnemen; en Pilatus stond het toe. Hij kwam dan en nam Zijn lichaam weg. En ook kwam Naq’dimon [Nicodemus], die de eerste maal des nachts tot Hem gekomen was, en hij bracht een mengsel mede van mirre en aloë, ongeveer honderd pond” (]nxvy Yochanan [Johannes] 19:38-39). – Deze twee vooraanstaande Farizeeën, die beiden lid waren van de Hoge Raad, het Sanhedrin, waren beslist niet de enige Farizeeën, die in Yeshua geloofden, want in Handelingen 15:5 lezen wij in verband met de gelovigen uit de volken: “Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men hen moest besnijden en gebieden de Tora van Moshe [Mozes] te houden. En de Sh’lichim [apostelen] en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen.” De meest bekende Farizeeër, die zich bij de Messiasbelijdende beweging aansloot, was Sha’ul, die ook bekend staat onder de naam Paulus. Hij zei over zichzelf: “Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën naar de wet een Farizeeër naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk”. (Filipp 3:4-6) en: “Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën” (Hnd 23:6).

 

Zeven soorten Farizeeën

 

U ziet dus, dat het verkeerd is om alle Farizeeën collectief als hoogmoedige, hebzuchtige en schijnheilige huichelaars te veroordelen. Helaas heeft het woord Farizeeër weliswaar in het christendom een negatieve bijklank gekregen, maar in de eerste plaats waren zij gewoon gelovige mensen die G’ds geboden zo goed mogelijk wilden gehoorzamen en verlangden naar harmonie, een goede, zuivere en veilige wereld, waar het kwaad en de zonde buitengesloten is. Dat is zeer herkenbaar en daar is ook niets mis mee, maar hun grote fout was dat ze dachten te kunnen vertrouwen op hun heiligheid om G’d te naderen en dat ze dank zij hun verdiensten een plaats in de Olam Haba [de toekomende wereld] hadden verworven. Maar ik wil hier nog een ander misverstand uit de weg halen: Doordat de Farizeeën geloofden dat de ziel onvergankelijk is, maar alleen de ziel van een gelovige die de Tora onderhoudt, overgaat in een ander lichaam, zou men de indruk kunnen krijgen dat zijn de reïncarnatieleer aanhingen. Dat is beslist niet het geval, want het 'andere lichaam' waar zij het over hadden, is niets anders dan het verheerlijkte lichaam van de opgestane uit de dood, waar ook Sha’ul het over heeft in 1 Korinthiërs 15:50-58 en 1 Thessalonicenzen 4:15-17. Het was dus zeker niet alles verkeerd wat de Farizeeën geloofden en verkondigden. Het discussiepunt tussen Yeshua was eigenlijk niet zozeer hun geloofsopvatting maar meer het feit dat de Farizeeën het volk dingen geleerd hebben die zij door de traditie van de voorvaders kenden, maar die dingen kwamen meestal niet voor in de Tora. Een voorbeeld hiervan is de N’tilat Yadayim, de rituele handenwassing waar ik in mijn vorige bijbelstudie over de Kashrut uitgebreid op in ben gegaan. Sommige Farizeeën waren inderdaad zo fanatiek bezig met het naleven van rabbijnse inzettingen dat zij G’ds geboden daarbij volledig uit het oog hadden verloren. En dat waren dus die Farizeeërs, tegen wie Yeshua in Mt 23:1-33 zo fel tekeer ging en die Hij “huichelaars, slangen en adderengebroed” noemde. Maar Hij wilde daar echt niet alle Farizeeërs mee onderuithalen. Als we het namelijk hebben over de Farizeeën, dan moeten we niet denken aan een eensgezinde groepering, want er waren verschillende stromingen van gewoon toragetrouw tot wettisch, met daar tussenin van alles en nog wat. Het is echt niet zo, dat alleen maar Yeshua de wettische en huichelachtige Farizeeën veroordeelde, want uit de Talmud blijkt, dat ook de Farizeese rabbijnen echte vroomheid en schijnheiligheid zeer goed wisten te onderscheiden en dat zij zulke Farizeeën verachtten. In huvc Sota 22b lezen wij het volgende: “Er zijn zeven soorten onechte Farizeeën: 1. de Sh’chem-P’rushim [Sichem-Farizeeën], dat zijn diegenen, die evenals de mannen van Sh’chem [Sichem] G’ds geboden vervullen alleen om er zelf voordeel van te hebben en bij de mensen geëerd te worden (ty>arb Bereshit [Genesis] 34); 2. die, om aan de wereld te tonen hoe bescheiden zij zijn, zulke kleine pasjes maken, dat zij hun tenen tegen de stenen stuk stoten; 3. die, om niet naar een vrouw te kijken, met hun hoofd tegen een muur aan lopen en het bloedig verwonden; 4. die zo krom lopen als een hamer, 5. die vragen: wat kan ik nog meer voor g’dvruchtig werk verrichten, dan zal ik het doen; 6. die de Tora vervullen uit begeerte naar toekomstige beloning; 7. die het doen uit vrees voor straf. Rabbi Nachman ben Yitz’chaq zegt: “Wat verborgen is, is verborgen en wat openbaar is, is openbaar (wij kunnen de mensen niet in het hart kijken); maar de hoogste Rechter zal eens ter verantwoording roepen hen, die zich in hun mantels hullen, en zich als Farizeeën voordoen zonder het te zijn.” Deze tekst uit de Talmud laat zien dat er inderdaad onder de Farizeeën mensen waren, die door hun gedrag deze geloofsgemeenschap een slechte naam gegeven hebben, maar de stelt dezen aan de kaak en distantieert zich nadrukkelijk van hen door te vermelden dat zij zich Farizeeën noemen zonder het te zijn. De échte Farizeeën daarentegen vertoonden een heel ander gedrag. Voor hen was de belangrijkste opdracht om Adonai te behagen door hun leven geheel volgens de Tora in te richten, G’d lief te hebben en hun naaste als zichzelf. De boodschap die zij verkondigden, verschilde daarom dan ook nauwelijks van de boodschap die Yeshua verkondigde. U gelooft mij niet? Dan zal ik u enkele teksten uit de Talmud en de Mishna citeren. Wat dacht u van deze: “Heb uw naaste lief als uzelf - dit is het grondbeginsel van de Tora (Mishna, N’darim 9:4). Of deze: “Ieder die zijn vijand haat, ontwortelt G’d uit deze wereld” (Avot van Rabbi Natan 30). “De Shabat is u gegeven, en niet gij aan de Shabat(Mechil’ta Sh’mot 31:13). “Oordeelt niet over uw naaste totdat u in zijn schoenen heeft gestaan” (Mishna, Avot 2:5). Jood of niet-jood, man of vrouw, dienaar of vrij man, zij zijn in zoverre allen gelijk dat hun daden bepalen of Ruach haQodesh [de Heilige Geest] in hen is!” (Midrash, Eliyahu Raba 10). G’d zegt: Wees zoals Ik - zoals Ik kwaad met goed vergeld, vergeld zo ook gij kwaad met goed!” (Midrash, Sh’mot Raba 26:2). “Zij die gekweld worden maar niet kwellen; die smadelijke woorden horen en niet terug zeggen; uit liefde handelen en zich verheugen over hun smart, zij zijn het, die G’d liefhebben” (Talmud, Shabat 88b). Rabbi Chanina, het priesterhoofd, placht te zeggen: “Bid altijd voor het welzijn van de overheid, want ware er niet het ontzag voor haar, dan zou de één de ander levend verslinden.” (Mishna, Avot 3:2). “Doe al wat je doet in de naam van de hemel - en laten al je daden gericht zijn op G’d” (Mishna, Avot 2:17). “Neen is een eed en ja is een eed” (Talmud, Sh’vuot 36a). “De Tora leert u dat uw ja oprecht moet zijn en dat uw neen oprecht moet zijn” (Talmud, Bava Metzia 49a). Waarom worden de woorden van de Tora vergeleken met water? Omdat er geschreven staat: “O, alle dorstigen, komt tot de wateren” (Talmud, Ta’anit 7a). Begrijpt u nu wat ik bedoel? Ik kan zo nog een tijdje doorgaan, maar ik denk dat u inmiddels uit deze teksten hebt kunnen opmaken, dat de Farizeeën echt niet zo ver van Yeshua verwijderd waren als doorgaans door de kerken wordt gesuggereerd. Althans de échte Farizeeërs. In tegenstelling tot de aristocratische Sadduceeën, de ware vijanden van de messiaanse beweging, behoorden de meeste Farizeeën tot het volk en kenden de armoede die onderdrukking door het Romeinse juk zoals elke Jood in die tijd. In het Sanhedrin behartigden zij derhalve de belangen van het gewone volk terwijl de Sadduceeën, die puur uit eigenbelang met de Romeinen en Herodianen samenwerkten, de rijke bovenlaag vertegenwoordigden. Dit groot verschil van motivatie komen wij in het volgende hoofdstuk tegen:

 

Het Sanhedrin

 

Het is een vrij algemene veronderstelling dat het Sanhedrin, de Hoge Raad der Joden, Yeshua heeft veroordeeld en aan Pilatus heeft overgeleverd om het doodvonnis ten uitvoer te laten brengen. In de evangelieverhalen over dit proces wordt tenminste de indruk gewekt, dat het voltallige Sanhedrin zich daaraan schuldig gemaakt zou hebben (Mt 26:59, Mc 15:1 en Lc 22:66). Maar was dat ook zo? Sterker nog: kon dat wel? De schrijvers van de evangeliën bedoelden in elk geval niet een historisch relaas te geven maar wilden op de eerste plaats getuigen van het verzoenend lijden en sterven van Yeshua. In deze bijbelstudie wil ik echter proberen, om nader in te gaan op vragen waar men zonder het raadplegen van Joodse bronnen niet uitkomt. Wat weten we bijvoorbeeld van het Sanhedrin? Behalve de naam weten de meeste christenen niet veel en nog minder goeds daarover. Om meer te weten te komen over de Hoge Raad moet men het traktaat “Sanhedrin” in de Mishna raadplegen. De Hoge Raad was een Joodse bestuursinstelling en rechterlijke macht in de stad Jeruzalem die bestond in navolging van rbdmb Bamid’bar [Numeri] 11:16 uit 71 (70+1) leden, onder voorzitterschap van de Kohen haGadol (hogepriester) en zowel door Farizeeën alsook door Sadduceeën werd samengesteld. Ook al hadden oorspronkelijk de Sadduceeën het overwicht, later wonnen de Farizeeën meer invloed in het Sanhedrin. Zo werden halachische beslissingen niet in de mond van de regerende hogepriester gelegd, wat eigenlijk voor de hand had gelegen, maar in de mond van een Farizeese autoriteit. En als dit ten aanzien van halachische zaken gold, hoeveel te meer dan in het geval van een mogelijk doodvonnis, waar het juist zo sterk op aankwam op het correct hanteren van de halachische voorschriften. Juridisch was het dus onmogelijk dat de hogepriester Qayafa [Kajafas], die een Sadduceeër was, een dergelijk doodvonnis had mogen uitspreken, waaruit wij mogen afleiden dat er geen Farizeeën bij aanwezig waren omdat zij dit nooit hadden toegelaten. Ook het feit dat Yeshua eerst voor Chanan [Annas], de schoonvader van Qayafa werd geleid (zie ]nxvy Yochanan [Johannes] 18:12-27), toont wel aan dat men zich niet al te veel gelegen liet aan naleving van de regels en normen. Gezien het feit, dat Chanan al een hele tijd niet meer als hogepriester fungeerde omdat de Romeinen zich na een conflict van hem ontdeden, was er geen enkele juridische grond om Yeshua voor hem te geleiden. Daar wijst Yeshua dan ook op: “Waarom ondervraagt gij mij?” Yeshua erkende dus het gezag van de oude man niet. Een boze gerechtsdienaar gaf Hem daarom een klap in het gezicht, en dat was alwéér een inbreuk op de regels: het was streng verboden een verdachte te slaan. Als het Sanhedrin voltallig aanwezig was geweest hadden de Farizeeën zeer zeker ingegrepen! Ook nog een heel ander aspect toont aan dat de gebruikelijke vormen niet in acht werden genomen: het tijdstip van de rechtszitting! Ten eerste was het de Farizeeën niet toegelaten om ‘s nachts te procederen in halszaken. Men moest overdag rechtspreken en ook bij dag afsluiten. Bij vermogenszaken daarentegen mocht men overdag rechtspreken en ‘s avonds laat afsluiten. Bij vermogenszaken deed het er ook niet toe of men overdag afsloot met een vrijspraak of een veroordeling. Maar bij halszaken mocht men bij vrijspraak op de dag zelf sluiten, op de dag erna in geval van veroordeling. Daarom sprak men geen recht in halszaken op de dag voor Shabat of voor een grote feestdag zoals in dit geval Pesach. De rechtszitting over Yeshua was duidelijk een halszaak, maar door het niet naleven van de regels moet men opnieuw ervan uitgaan dat de Farizeeën hierbij niet aanwezig waren. Sterker nog: Van de ‘zitting’ ten huize van de hogepriester krijgen wij de indruk van een gesloten bijeenkomst, waar men alleen maar met speciale introducties binnen kon komen (]nxvy Yochanan [Johannes] 18:16), nog afgezien van de vraag of de Farizeeërs überhaupt bij een Sadduceeër over de vloer zouden zijn gekomen. Voor halszaken was men echter verplicht gebruik te maken van de speciale ruimte voor het Sanhedrin op de Tempelberg, om precies te zijn: in een stenen zaal op de binnenste voorhof. Een halsproces ten huize van de hogepriester was binnen de Farizeese traditie volstrekt ondenkbaar! Ook onder de bezetting van de vreemde heersers bleven de Farizeeën trouw aan de halachische regels, maar legden zich tevens toe op de stipte naleving van G’ds wetten en stonden bij het gewone volk in hoog aanzien omdat ze niet meededen met de Sadduceeën die met de Romeinse bezetter al te zeer onder één hoedje speelden. Het volk stond in het algemeen aan de zijde van de Farizeeën en wanneer Yeshua populair was bij het volk, dan lag het dus voor de hand dat de Sadduceeën ‘s nachts in het geheim hun slag zouden slaan “uit angst voor het volk” (Lc 22:2). Zoals gezegd hadden de Farizeeën, die deel uitmaakten van het Sanhedrin, indien ze aan de bijeenkomst bij Qayafa [Kajafas] hadden deelgenomen, zeker een strikte naleving van de regels geëist, hetgeen zij later ook deden toen de Sh’lichim [apostelen] van Yeshua voor het Sanhedrin gebracht werden om hen ter dood te veroordelen. Laten we eerst de rechtszaak tegen Petrus en zijn begeleiders lezen: “Maar de hogepriester stond op en allen, die met hem waren (de zogenaamde partij van de Sadduceeën) en zij werden vervuld met naijver, en zij sloegen de handen aan de apostelen en zetten hen in het huis van bewaring. Maar een engel van Adonai opende des nachts de deuren van de gevangenis en leidde hen naar buiten en zeide: Gaat heen, gaat in de tempel staan en spreekt tot het volk al deze woorden des levens. En zij gaven daaraan gehoor en gingen tegen de ochtend de tempel binnen en leerden. Toen nu de hogepriester was aangekomen en die met hem waren, riepen zij de Raad bijeen, de gehele vergadering van de oudsten der kinderen Israëls, en zij zonden dienaars naar de kerker om hen te laten voorkomen. Doch de dienaars, daar aangekomen, vonden hen niet in de gevangenis. En zij keerden terug en brachten het bericht mede: Wij vonden wel de kerker zeer zorgvuldig gesloten en de wachters voor de deuren op hun post, maar, toen wij hem openden, vonden wij er niemand in. Toen nu de hoofdman van de tempel en de overpriesters deze woorden hoorden, waren zij erover in verlegenheid, wat daarvan komen zou. Maar er kwam iemand tot hen met het bericht: Zie, de mannen, die gij hebt gevangengezet, staan in de tempel en zij leren het volk. Toen ging de hoofdman met zijn dienaren erheen en nam hen mede, maar niet met geweld, want zij waren bevreesd, dat het volk hen stenigen zou; en toen zij hen gebracht hadden, leidden zij hen voor de Raad. En de hogepriester ondervroeg hen, zeggende: Wij hebben u nadrukkelijk verboden in deze naam te leren; en zie, gij hebt Jeruzalem vervuld met uw leer en gij wilt het bloed van deze mens op ons doen neerkomen. Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet G’de meer gehoorzamen dan de mensen. De G’d onzer vaderen heeft Yeshua opgewekt, die gij hebt gehangen aan een hout en omgebracht; Hem heeft G’d door Zijn rechterhand verhoogd, tot een Leidsman en Verlosser om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken. En wij zijn getuigen van deze dingen en ook Ruach haQodesh [de Heilige Geest], die G’d hun gegeven heeft, die Hem gehoorzaam zijn. Toen zij dit hoorden, ontstaken zij in woede en wilden hen ter dood laten brengen. Maar een zeker Farizeeër in de Raad, genaamd Gamali’el, een torageleerde, in ere bij het gehele volk, stond op en verzocht de mensen een ogenblik buiten te doen staan, en hij zeide tot hen: Mannen van Israël, overweegt wel, wat gij met deze mensen zult doen! Want voor deze dagen stond Teudas op, die beweerde, dat hij iets was, en een aantal van ongeveer vierhonderd man sloot zich bij hem aan; maar hij werd gedood en zijn gehele aanhang viel uiteen en verliep. Na hem stond Yehuda haGalili [Judas de Galileeër] op, in de dagen der inschrijving, en kreeg vele afvalligen op zijn hand, maar ook deze is omgekomen en zijn gehele aanhang is uiteengeslagen. En nu zeg ik u: Laat u niet in met deze mensen en laat hen geworden; want indien dit streven of dit werk uit mensen is, zal het vernietigd worden, maar indien het uit G’d is, zult gij hen niet kunnen vernietigen; het mocht eens blijken, dat gij tegen G’d strijdt. En zij lieten zich door hem gezeggen, en na de Sh’lichim [apostelen] voorgeroepen te hebben, lieten zij hen geselen en verboden hun te spreken in de naam van Yeshua, en gaven hun de vrijheid” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 5:17-40). Een van de belangrijkste leraars van de Farizeeën, Gamali’el [Gamaliël], nam het hier voor de Messiasbelijdende Joden op en op diezelfde Gamali’el beriep ook Sha’ul [Paulus] zich, toen hij een paar hoofdstukken verder eveneens voor het Sanhedrin moest verschijnen: “En de volgende dag liet hij, daar hij nauwkeurig wilde weten, waarvan hij door de Joden beschuldigd werd, hem de boeien afnemen, en hij beval de overpriesters en de gehele Raad bijeen te komen. En hij bracht Sha’ul uit de kazerne en stelde hem voor hen. En Sha’ul, de ogen op de Raad gericht, zeide: Mannen broeders, ik voor mij heb een volkomen zuiver geweten voor G’d over mijn gedrag in het openbaar tot op deze dag. Maar de hogepriester Chananya [Ananias] beval hun, die naast hem stonden, hem op de mond te slaan. Toen zeide Sha’ul tot hem: G’d moge u slaan, gij gewitte wand! En gij, zit gij over mij recht te spreken naar de wet en beveelt gij tegen de wet mij te slaan? Maar de omstanders zeiden: Scheldt gij de hogepriester G’ds uit? En Sha’ul zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, want er staat geschreven: Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken. En daar Sha’ul wist, dat het ene deel behoorde tot de Sadduceeën en het andere tot de Farizeeën, riep hij in de Raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden. En toen hij dit zeide, kwam er tweedracht tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de menigte werd verdeeld. Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander. En er ontstond groot geschreeuw, en sommige van de schriftgeleerden van de groep der Farizeeën stonden op en streden heftig en zeiden: Wij vinden generlei kwaad in deze mens! En indien nu eens een geest tot hem heeft gesproken, of een engel! En toen er grote tweedracht ontstond, vreesde de overste, dat Sha’ul door hen zou worden verscheurd, en hij liet de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen.” (tvlipm Mif’alot [Handelingen] 22:30-23:10).

 

Conclusie

 

Deze bijbelstudie zal een soort eerherstel zijn voor de Farizeeën, want van alle stromingen die er in het Jodendom waren ten tijde van de tweede tempelperiode, stonden zij het meest in de buurt van de messiaanse beweging. De Sadduceeën waren ronduit vijandig en heulden met de Romeinse bezetters, de Essenen hingen de mystieke leer aan die wij tegen komen in de kabbala, de Zeloten waren nationalistisch en gewelddadig en het gewone volk was net zo seculier als de Israëli’s van vandaag. Na het verdwijnen van de Sadduceeën, de Essenen en de Zeloten bleven alleen de Farizeeën over en daardoor werd het Joodse g’dsdienstige leven bijna 2000 jaar lang Farizees bepaald, want ook de Messiasbelijdende Joden verdwenen als aparte groepering van het toneel en maakte plaats voor het Grieks georiënteerde christendom. Het is daarom bijzonder interessant te kunnen constateren dat gedurende de vorige eeuw de ene na de andere Joodse groepering uit de tijd van de tweede tempelperiode weer terugkeerde op het toneel, zij het in iets gewijzigde vorm. De Farizeeën van toen zijn de orthodoxe Joden van nu, de Sadduceeën daarentegen vinden wij nu min of meer terug in het liberale Jodendom. De mystieke Essenen zijn tot op zekere hoogte met de huidige chassidische Joden vergelijkbaar en zelfs hun naam komt met elkaar overeen, want zowel het Griekse woord Essenos alsook het Hebreeuwse Chassidim betekent “de vromen”. Zoals de Essenen zich vroeger terugtrokken in de woestijn, zo leven ook de Chassidim nu teruggetrokken in Mea Sh’arim. Zelfs de Maccabeeën en Zeloten, de Joodse verzetstrijders, zijn weer terug in het bijbelse land: in de jaren 40 van de vorige eeuw in de vorm van het Irgun en de Hagana en tegenwoordig als kolonisten in de zogenaamde Palestijnse gebieden. Ook de Romeinse bezetters van toen zullen in een moderne variant terugkomen, zoals wij in de profetische boeken Daniël, Zacharia en Openbaring kunnen lezen. De Romeinen beheersten de toenmalige wereld, nu zijn dat de Verenigde Naties. Dat alles laat ons zien in welke tijd wij nu leven en daarom is het letterlijk van levensbelang om onszelf te onderzoeken aan welke kant wij staan. Wij lazen in de Talmud dat er zeven soorten onechte Farizeeën waren, maar slechts één soort echte Farizeeën. En zo zijn er ook vele soorten christenen en Messiasbelijdende gelovigen, maar slechts één echte! Bij welke categorie behoren wij?

Werner Stauder